Spelregels

SPELREGELS

Natuurlijk kun je gewoon lekker een ‘balletje slaan’ met je maatje, zonder je al te druk te maken over officiële regels. Maar als je er dan toch een wedstrijdje van maakt is het wel zo leuk om je aan de spelregels te houden. En die zijn bij squash helemaal niet zo ingewikkeld. Natuurlijk kan er altijd discussie ontstaan, vooral wanneer er om een ‘let’ wordt gevraagd, maar de overige regels spreken eigenlijk voor zich. Hieronder worden kort de regels uitgelegd.

De squashbaan

Squash wordt dus gespeeld in een ruimte omgeven door vier muren. De vloer is van hout en heeft een afmeting van 9,75 meter lang bij 6,40 meter breed. Om de kwaliteit van de vloer te behouden is het bij ons verboden om de baan te betreden met schoenen die zwarte zolen hebben.

De squashbal

De bal waarmee wordt gespeeld is gemaakt van dun rubber en gevuld met lucht. Hij heeft een diameter van slechts 4 cm en een gewicht van ongeveer 24 gram. Er zijn verschillende typen ballen met de volgende aanduiding:

  • Bal met blauwe stip: snel
  • Bal met rode stip: medium Snel
  • Bal met enkele gele stip: traag
  • Bal met dubbele gele stip: extra traag

In tegenstelling tot wat je misschien zou verwachten zijn de traagste ballen het moeilijkst om mee te spelen. Officiële wedstrijden worden daarom gespeeld met een bal met twee gele stippen.

Bij aanvang van het spel zal de bal vaak koud zijn, waardoor deze weinig veerkracht heeft en dus moeilijk bespeelbaar is. Door het slaan van de bal zal de temperatuur van het rubber en van de lucht hoger worden, waardoor de bal beter gaat stuiteren. Sla de bal dus altijd goed warm voor je begint met spelen.

Het spel

Toss met het racket wie met de opslag mag beginnen. Na de opslag wordt de bal om en om via de voormuur geslagen. Het spel stopt als:
•De bal op of boven de rode uitlijn komt, de bal is dan uit (soms zijn de lijnen blauw, geel of groen)
•De bal op of onder de tin komt, de bal is dan ‘down’.
•De bal 2x stuiterd, voordat je slaat, of 2x op je racket komt. De bal is dan ‘not up’.

De opslag

Je mag kiezen of je van links of rechts met de opslag begint. Bij de opslag moet minstens 1 voet binnen het serveervak staan, zonder daarbij een lijn aan te raken, de andere voet mag overal staan.

Sla de bal op de voormuur boven de serveerlijn en onder de uitlijn (en daarna eventueel op de zijmuur). De bal moet dan in het ontvangstvak komen en mag daarbij de rode lijnen 1 en 2 niet raken.

De ontvangst

De ontvanger mag overal staan, als hij de serveerder maar niet in de weg staat. De beste plaats is in het midden van het ontvangstvak. Je kunt de bal meteen, zonder stuit, slaan (volley) of eerst 1 maal laten stuiten en dan slaan.

De serveerder mag naar het midden van de baan, bij de ‘T’, mits hij de ontvanger niet hindert als deze gaat slaan.

Puntentelling

De officiële puntentelling is punt-per-rally. Als je een rally wint, krijg je een punt en mag je (weer) serveren. Als je aan service was gebleven, moet je wel serveren vanuit het andere serveervak. Heb je niet geserveerd, maar wel de rally gewonnen, dan krijg je toch een punt en mag je kiezen aan welke kant je begint met serveren.

Een game win je als je als eerste 11 punten behaalt. Er moet wel een minimaal verschil zijn van 2 punten. Bij een stand van 10-10 heb je dus pas gewonnen als je 12 punten hebt.

De wedstrijd (match) win je door als eerste 3 games te winnen (best of 5 games).

Stroke, let óf no let?

voorbeeld 1:

  • Als de tegenstander in de slag naar de voormuur staat (binnen de driehoek van bal naar voormuur) speel niet door maar stop. Je krijgt een stroke ofwel je wint de rally en krijgt een punt.
  • Als de tegenspeler net buiten de driehoek staat stop dan ook voor de veiligheid. Je krijgt een let ofwel de rally wordt opnieuw gespeeld.
  • Maar als er geen hinder van de tegenstander was, dan krijg je een no let en verlies je de rally.

voorbeeld 2:

  • Als je de bal wilt slaan, maar je tegenstander staat dicht bij je, stop dan.
  • Je krijgt een stroke als hij in je zwaai staat (zie driekwart cirkel).
  • Je krijgt een let als je bang bent hem te raken, maar hij je nog voldoende ruimte geeft.
  • Als je helemaal geen hinder ondervindt, dan krijg je een no let.

Turning
Als je om je as draait of als de bal achter je langs gaat en je daarna de bal wil spelen, dan heet dat een turning. Je bent even de bal kwijt en het is dus gevaarlijk om de bal te slaan. Stop dan en je krijgt een let.

Speel je toch, raak je de tegenstander met de bal, dan krijgt de speler die sloeg alsnog het punt. Echter, krijgt de speler die sloeg ook een waarschuwing. Mocht de situatie zich opnieuw voordoen, dan gaat het punt naar de tegenstander punt. Dat is gedaan, omdat je in deze gevaarlijke situatie de bal niet mag slaan. Stop altijd en je krijgt een let.

Onderstaand figuur geeft nog een korte opsomming van de regels.

squashregels1squashregels2

 

Deel dit bericht